De rugwind voor de circulaire economie is voelbaar

Gepubliceerd op 04 oktober 2018

Een gesprek met Steven van Eijck (voorzitter van RAI Vereniging) over autorecycling en ARN gaat onherroepelijk ook over grotere zaken. Over het klimaat en de maatregelen die de regering voorbereidt om Nederland te laten ‘sporen’ met het Klimaatakkoord. Over het momentum in de auto-industrie om echte stappen te zetten op weg naar de circulaire economie.


Tekst Arjen van der Sar

Fotografie Maarten Noordijk

Sprekend over autorecycling bekent Steven van Eijck dat hij een groot bewonderaar is van Thomas Rau, voorvechter van de circulaire economie en geestelijk vader van het ‘verdrag voor de rechten van het materiaal’. “Rau zegt: Als je de waarde van het materiaal in de boekhouding opneemt, dan schrijf je niet meer tot nul af, maar tot pakweg 15 procent. Dat lijkt nadelig, want je hebt immers minder aftrekposten en betaalt meer belasting. Het grote voordeel is dat er een prikkel ontstaat om aan het eind van de levensduur de materialen terug te winnen en opnieuw in te zetten.” In die gedachte neemt de bouwer, zo legt Van Eijck uit, je huis of kantoor aan het eind van de levensduur terug. Meteen vraagt hij zich hardop af: “Wat als de fabrikant een auto aan het eind van de levensduur zou terugnemen?”

Handtekening van automotive Europa

De verwijzing naar Rau zet de toon. Want, vindt Van Eijck, de circulaire economie komt er niet vanzelf en ook de auto-industrie zal mee moeten. Het gesprek met de voorzitter van RAI Vereniging (met BOVAG, FOCWA en STIBA aandeelhouder van ARN) vindt in dat opzicht plaats op een interessant moment. De jubilerende RAI Vereniging – 125 jaar – was tijdens de European Mobility Week gastheer van de belangrijkste Europese automotive organisaties. “Dit zijn partijen die nog geen traditie hadden van geregeld overleg. Tijdens dit congres streefden we naar iets concreets: de ondertekening van een gezamenlijke belofte om in 2050 te streven naar nul verkeersongevallen in Europa. Het overleg was dus meteen erg succesvol.”

“In de gedachte van Rau neemt de bouwer je huis of kantoor aan het eind van de levensduur terug. Wat als de fabrikant een auto aan het eind van de levensduur zou terugnemen?”

Volgens Van Eijck is de grote doorbraak niet per se deze handtekening, “maar wel de wetenschap dat we deze grote, belangrijke partijen nu periodiek aan de overlegtafel hebben. Het heeft de dynamiek gebracht waarin we vanaf nu ook moeilijke onderwerpen bespreekbaar kunnen maken – zoals recycling en de circulaire economie.” EU-transportcommissaris Violeta Bulc was gekomen om de partijen nadrukkelijk te vragen mee te denken over circulaire economie. Met succes. “Dat dat onderwerp bij een volgende bijeenkomst op tafel ligt, met al die belangrijke aan mobiliteit gerelateerde partijen, is pure winst. Er is een cultuur aan het ontstaan waarin we de circulaire economie echt op de agenda gaan zetten.”

Gigantische druk

Dat moet ook, want er moet veel gebeuren om het Klimaatakkoord van Parijs te halen. Van Eijck, voormalig staatssecretaris Financiën (kabinet-Balkenende I), levert zijn bijdrage aan de kolossale taak om ideeën uit het regeerakkoord voor maatregelen tegen klimaatverandering uit te werken tot concrete plannen. “De plannen moeten er eind juli al liggen, voor de laatste vergadering van de ministerraad.

In een paar maanden tijd hebben de energiesector, de industrie en tal van andere partijen onder gigantische druk meegewerkt aan plannen om Nederland stappen te laten maken. Alle ‘tafels’ die hiervoor de input leveren, werken aan voorstellen die bepalend zijn voor hoe Nederland de komende decennia helpt voorkomen dat de aarde al te snel opwarmt, hoe Nederland duurzamer wordt, hoe we de energietransitie gaan maken. Dat zijn grote uitdagingen, waar grote beslissingen voor nodig zijn.”

Professionalisering autorecycling

Maar het begint bij ogenschijnlijk kleine stappen, die vandaag al worden genomen. Van Eijck roemt de professionalisering van de autorecycling in Nederland. “Het percentage auto’s dat gerecycled wordt, is hoog. Ook wordt een groot percentage van de materialen per auto hergebruikt en verwerkt tot herbruikbare grondstof. Toch is de praktijk nog niet ideaal. Over de kosten en het verdienmodel van autorecycling kun je altijd discussiëren. Ook in demontage en hergebruik van onderdelen is nog verbetering mogelijk. De mate van herbruikbaarheid van grondstoffen, ook dat heeft allemaal ontwikkeling nodig. En ARN is – en blijft wat mij betreft – daarin de spil.”

“We zitten nog in de transitiefase; op den duur zal het anders worden, anders moeten.”

Wel vindt Van Eijck dat ARN moet verbreden, uiteraard zonder de onlangs hervonden focus op kernzaken overboord te zetten. “ARN doet er goed aan niet alleen auto’s, maar de hele mobiliteit als doel te nemen. Dat betekent dat ARN op termijn bijvoorbeeld ook vrachtwagens en motoren bij recycling kan betrekken.”

De circulaire economie is nog niet rond

Van Eijck meent dat zijn achterban goed begrijpt dat materialen weer terug worden gebracht in de keten en dat we nog altijd in de fase zitten dat het geld kost. De cirkel van de circulaire economie is nog lang niet rond – er moet nog geld bij. “We zitten nog in de transitiefase; op den duur zal het anders worden, anders moeten. Tegelijk zijn de aandeelhouders ondernemers die de verantwoordelijkheid hebben om hierop scherp te zijn en ARN bij de les te houden. Fabrikanten zijn immers vrij om wel of niet mee te doen met het initiatief om ARN in Nederland het voortouw te geven op het gebied van autorecycling.”

“Goed bezig zijn voor de circulaire economie is één ding, maar intussen heeft de operatie zelf ook invloed op uitstoot en milieu”

Tegelijk moet ARN ook kritisch blijven op de eigen prestatie, naar de eigen duurzaamheid van de ARN-operatie en van de keten. “Hoe zit het met de CO2-uitstoot, alle energie die gestoken wordt in een recyclepercentage van bijna 100? Goed bezig zijn voor de circulaire economie is één ding, maar intussen heeft de operatie zelf ook invloed op uitstoot en milieu.”

De voorkant van het proces

Intussen blijft ARN met de keten verantwoordelijk voor het hoge percentage autorecycling en voor het vergroten van de kwaliteit van de reststromen. Helaas heeft deze keten – zo luidt een vaak gehoorde klacht – bitter weinig invloed op wat fabrikanten er aan de voorkant van het proces in stoppen. Kan Van Eijck met zijn invloed in automotive kringen de ontwerpers en de Nederlandse recycleketen aan tafel krijgen voor gesprekken over materiaalgebruik en demontage? Een goed gesprek over POP’s (niet-herbruikbare of -verwerkbare kunststoffen) kan op termijn leiden tot betere scheiding en een beter resultaat.

“Dat is een goed idee, we zouden veel meer kunnen doen om die partijen aan tafel te brengen. Ik ken het goede voorbeeld van autodakfabrikant Inalfa, dat mogelijkheden biedt om schuifdaken integraal uit sloopauto’s te demonteren, met maximale kansen voor hergebruik. Als partijen uit het begin en het eind van de keten meer contact hebben én er meer aandacht komt voor modulair bouwen en demonteren, dan levert dat veel op.”

Verantwoord omgaan met materialen

Wat zijn de kansen voor een breed overleg? Van Eijck wil zich niet vastleggen. “Maar ik zie wel dat het tij keert. Dat we met al die autopartijen bij elkaar zo’n ‘nul verkeersdoden’-pledge hebben gerealiseerd, is voor mij veelbetekenend. De rugwind die we nodig hebben om ook moeilijke onderwerpen zoals circulaire economie op tafel te krijgen, die is voelbaar. Ik merk dat de auto-industrie, veel meer dan vijf jaar geleden, voelt dat ze mee moet met verantwoord omgaan met materialen. De industrie heeft jaren gezocht naar materialen die de auto lichter maken en het verbruik terugdringen. Nu is het tijd voor de volgende stap: hergebruik en terugwinnen van grondstoffen.”

“Ik merk dat de auto-industrie voelt dat ze mee moet met verantwoord omgaan met materialen”

Maar er is een mits: “Fabrikanten kwamen tot dusver vooral in beweging als ze een businessmodel zagen. Bij de introductie van iets nieuws mochten consumenten de auto niet te duur vinden en de aandeelhouders moesten winst zien. Fabrikanten moeten op een ander niveau getriggerd worden dan kosten, baten en winst. Ik zie daar ook bewustwording ontstaan van het feit dat we in deze wereld niet onbeperkt een beroep kunnen doen op grondstoffen. Die ‘sense of urgency’ groeit. Ik denk ook dat de kwestie van de dieselproblematiek de industrie de ogen opent. Het imago van de sector staat op het spel, fabrikanten voelen dat de wereld kritisch naar ze kijkt. Dat de samenleving een proactieve bijdrage verwacht. Dat moet op den duur leiden tot fundamentele stappen.”